WERKPLEKLEREN
Interpersoonlijk
Onmisbare ‘inwijding’ in het beroep
Auteurs   Aimée Hoeve, Expertisecentrum Beroepsonderwijs
september 2012
De praktijk is de beste leermeester. Van dat aloude principe is in de vorige eeuw behoorlijk wat afgeknabbeld. Maar nog steeds is het bijna ondenkbaar dat je een beroep goed in de vingers krijgt door alleen het volgen van schoolse lessen. ‘Werkplekleren’ is onmisbaar. Maar waarom precies? En: hoe houd je greep op de effectiviteit? 
 

Werkplekleren, essentieel anders dan ‘schools’ leren 
Iedereen begrijpt wel zo ongeveer wat werkplekleren inhoudt. Maar wetenschap kan niet zonder scherp omlijnde definities. Een redelijk complete en heel bruikbare is deze: ‘Leren dat plaatsvindt in reële arbeidssituaties als leeromgeving en met werkelijke problemen uit de arbeidspraktijk als leerobject’. Maar daarmee is nog lang niet alles gezegd. Leren op de werkplek heeft een ander karakter als ‘schools’ leren. Het wordt vaak getypeerd als informeel leren. Leerprocessen zijn grotendeels tamelijk ongrijpbaar: ongepland, ongestructureerd, vaak getriggerd door problemen die zich tijdens het werk voordoen, schijnbaar zonder vooropgezet doel. Als je al over doelen kunt spreken, gaat het om doelen die in het verlengde liggen van werkdoelen: verhoogde kwaliteit of verbeteren van de productiviteit. In werkplekleren ligt de nadruk vooral op het sociaal proces dat maakt dat een lerende volwaardig lid van een professionele gemeenschap kan worden. Vergelijk dat eens met het schoolse leren, dat primair een individueel proces is met nadruk op het cognitief-emotionele proces, met als doel het verwerven van voldoende kennis en vaardigheden. Op planmatige en gestructureerde wijze, gericht op het behalen van een diploma. Klik hier voor een schematisch overzicht van de verschillen tussen schools leren en werkplekleren.


Werkplekleren in het mbo

Werkplekleren heeft een vast verankerde plaats in het middelbaar beroepsonderwijs, geregeld bij de wet in de vorm van de beroepspraktijkvorming (bpv). Die bpv moet voldoen aan eisen, vastgesteld door de kenniscentra beroepsonderwijs-arbeidsmarkt.  Om de kwaliteit te garanderen kunnen studenten de bpv alleen volgen bij een erkend leerbedrijf. De kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven zijn verantwoordelijk voor het werven, erkennen en ondersteunen van leerbedrijven.

Nog een andere kwaliteitswaarborg is het bpv-protocol . Het vergemakkelijkt heldere afspraken tussen student, leerbedrijf en onderwijs. Dat gebeurt door taken en verantwoordelijkheden van elk van deze partijen te benoemen. Het bpv-protocol bestrijkt zowel voorbereiding als begeleiding, uitvoering, beoordeling en evaluatie van bpv-trajecten.

Naast de bpv zijn de afgelopen jaren verschillende nieuwe vormen van werkplekleren ontstaan. Zoals het leren binnen mini-ondernemingen, het schoolbedrijf en de leerafdeling. Ook is er veel aandacht voor de ontwikkeling van hybride leeromgevingen: een integratie van het schoolse en het werkplekleren. In een dergelijk leeromgeving zijn kennisontwikkeling in klassieke zin en het opdoen van praktijkervaring volledig, ook in tijd en plaats, met elkaar verweven.


Wat je op school (bijna) niet kunt leren

In bepaalde opzichten is er geen betere leerschool dan de beroepspraktijk zelf. Voor een aantal vaardigheden is er zelfs geen alternatief. Denk aan: omgang met echte klanten, leveranciers en afnemers; presteren onder druk; omgaan met tegenstrijdige eisen in het werk; het werken met bedrijfsspecifieke technologie of protocollen; of kunnen functioneren in een werkgemeenschap.
Daarnaast is praktijkervaring onmisbaar voor de ontwikkeling van een beroepsidentiteit. Een factor van niet te onderschatten belang. De neiging bestaat tegenwoordig om het beroep (en daarmee het vakmanschap) nogal eendimensionaal neer te zetten, te reduceren tot een set van beroepsvaardigheden en daarbij behorende kennis. Maar dat is beslist te mager. Arbeidssociologen wijzen erop dat een beroep meer omvat dan kennis en kunde alleen. Elk beroep heeft ook een eigen cultuur en specifieke morele principes. Daarom moet de opleiding tot een beroep meer inhouden dan alleen het toepassen van kennis en kunde. Het gaat om een geleidelijk inwijdingsproces in het vakgebied van het beroep, in de beroepscultuur (solidariteit met collega’s, omgang met chefs en klanten, beroepshouding) en de beroepsethiek (wat mag en wat niet mag). Het gaat dus om een combinatie van verwerven van kennis én van participatie.


Vraagtekens bij de effectiviteit
Het belang van werkplekleren staat buiten kijf. Maar hoe effectief is het? Die vraag wint aan actualiteit de laatste jaren. Uit onderzoek van Poortman (2007) blijkt dat de leeruitkomsten sterk contextgebonden zijn en de transfer moeilijk is. Een groot Amerikaans onderzoek legt de vinger op een ander manco: de ontwikkeling van ‘academische vaardigheden’, zoals analyseren van een probleemsituatie of modelmatig denken, komt niet aan bod. Dit Amerikaans onderzoek is in 2009 herhaald in Nederland, in het groen onderwijs. Uitkomst: er valt meer uit het werkplekleren te halen dan nu gebeurt. Dat ligt niet aan de praktijksituaties zelf, want daarin is voldoende te beleven om van te leren. De leeropbrengsten blijven beperkt door de volgende oorzaken:

1.   Op de werkplek wordt vooral aandacht gegeven aan het werkproces; het leerproces en de actieve begeleiding blijft vaak onderbelicht.
2.   Er is vooral aandacht voor leerprocessen gericht op de ontwikkeling van vakkennis en vaardigheden, en veel minder voor de ontwikkeling van kennis van de beroepscultuur en de beroepsethiek.
3.   Er is weinig reflectie, met als gevolg weinig leervragen bij studenten op basis van hun ervaringen in de praktijk.
4.   Als er wel leervragen ontstaan, krijgen die geen vaak geen vervolg buiten de praktijksituatie.
5.   Onduidelijkheid bestaat over de rol en verantwoordelijkheden van docenten, praktijkbegeleiders en deelnemers; afstemming wordt belemmerd door de verschillen in cultuur, en daarmee in taal, tussen onderwijs en beroepspraktijk.


Kunnen en mógen leren
Daarmee zijn nog niet alle kritische noten gekraakt. Want zelfs als een bepaalde werkplek in principe leermogelijkheden biedt, is het nog niet zeker dat studenten die ook daadwerkelijk kunnen en mogen benutten. De Australische onderzoeker Billett heeft hier veel onderzoek naar gedaan. Hij wijst erop dat werkplekken verschillen in termen van affordances (letterlijk zoiets als mogelijkheden die iemand gegund worden). De werkplek verschaft leermogelijkheden door bijvoorbeeld de toegang tot andere werkers, tijd om te oefenen en te leren, betrokken te worden bij het delen van kennis, discussiegroepen, toegang tot kennis, implementatie van opleidingsprogramma’s en aanmoediging, houding en bekwaamheden van collega’s waar men mee samenwerkt. Billett constateert dat mogelijkheden vaak niet gelijk verdeeld zijn over verschillende individuen. Bovendien zijn werkplekken vaak ook plekken waar strijd wordt geleverd (om status en macht), waardoor de stagiair niet of slechts moeizaam toegang krijgt tot bepaalde personen of kennis.

Kijken naar het leerpotentieel

Werkplekleren is noodzakelijk als voorbereiding op cruciale aspecten van de beroepspraktijk. Maar, zoveel mag duidelijk zijn, een waakzaam oog is zeer gewenst. Het is belangrijk om alert te blijven op aspecten die niet automatisch aan bod komen op de werkplek, zoals aandacht voor reflectie en leervragen.
Onstenk heeft een model ontwikkeld waarmee je op een systematische manier naar werkplekleren kunt kijken. En wel door het ‘leerpotentieel’ in kaart te brengen. Dat wil zeggen: de kans dat in een specifieke arbeidssituatie leerprocessen plaatsvinden. Voor een deel wordt die kans natuurlijk bepaald door kenmerken van de student, zoals reeds aanwezige competenties en leerbereidheid. Daarnaast zijn er een aantal kenmerken van de leeromgeving die ertoe doen. In de wetenschappelijke literatuur bestaat grote consensus over de volgende factoren:
• Mate van taakautonomie
• Mate van variatie in het werk
• Complexiteit van het werk
• De aard van de sociale omgeving van de werkplek (participatie en beslissingsruimte; communicatie en interactie; ondersteuning en feedback)
• Toegang tot informatiebronnen
• Werkdruk

Nog niet bekend is welk gewicht elke factor afzonderlijk in de schaal legt. Dat vraagt verder onderzoek.


Zoeken naar verbindingen

Lerend werken, werkend leren: als vanzelfsprekend horen die twee bij elkaar. Maar de praktijk is een stuk weerbarstiger: het vraagt veel inspanning om leren en werken effectief te verbinden. Er is nog geen beproefde theorie hoe dat goed te doen. Dat blijkt uit overzichten van de (wetenschappelijke) kennis op het terrein van werkplekleren (o.a. Poortman & Visser, 2009). Gericht ontwikkel- en onderzoekswerk is nodig om abstracte wetenschappelijke modellen en inzichten te vertalen naar de dagelijkse onderwijspraktijk.
Enkele deskundigen:
Prof. dr. Loek Nieuwenhuis, Senior onderzoeker IVA en Hoogleraar 'Leven lang leren en werkplekleren van docenten in het beroepsonderwijs' aan de Open Universiteit
Dr. Jeroen Onstenk, lector Geïntegreerd pedagogisch handelen, Hogeschool Inholland
Dr. Marcel van der Klink, lector Professionalisering van het onderwijs, Hogeschool Zuyd
Dr. Jan Streumer, lector Versterking van het beroepsonderwijs, Hogeschool Rotterdam
Bronnen:
REAGEREN
E-mailadres:
Plaats hier uw reactie:
REACTIES
Zoeken
VERWANTE ARTIKELEN
Leerprocessen
Speuren in de ‘black box’